Henk van Kuijk: Formule Crash 1

Foto: eigen archief

FORMULE CRASH 1

Bij tijd en wijlen kijk ik naar de Formule 1 races. Ik was eens op het circuit van Zandvoort, om er wat rond te kijken. Daar zei een kenner tegen mij: “Heel veel mensen gaan bij autoraces kijken in de hoop om crashes te zien, lekker spannend vinden ze dat.” Inderdaad, ik heb op t.v. al heel wat van die crashes gezien. En zeker, het oogt heel spectaculair. Maar ja, vorig jaar viel er nog een dode, een coureur die door een ander werd aangereden, omdat de baan na een crash onvoldoende was vrijgemaakt. Soms ben ik verbijsterd, dat een coureur zomaar fris en vrolijk uit een rokende puinhoop van een auto tevoorschijn komt. Maar laat ik het over het racen als sport hebben. Waarbij het erom gaat, dat wie het hardste rijdt wint. Op de eerste plaats is de vraag: heeft iedereen gelijke kansen? Nee, zo heb ik begrepen dat Max Verstappen niet de max-auto en max-motor heeft. Ondanks veel Red Bull in de tank. Hij heeft de tweede of derde beste wagen. Er zijn ook nog veel mindere wagens. Zo gaat het in de atletiek niet. Of de wielersport. Daar zijn alle fietsen wel ongeveer van gelijk niveau, alleen de benen niet. Bij het tennis heb je geen superrackets die vangnetten verslaan. Bij het zwemmen had je even supergeleidende pakken die niet iedereen had. Dat hebben ze snel afgeschaft, ieder een even snel zwempak. Ook bij het tafeltennis ging het even mis, de Chinezen kwamen met toverbats met lange noppen, daar konden ze toverspinballen mee slaan. Ook afgeschaft voor gelijk materiaal. Maar in de autosport heerst de commercie, die ongelijk is. Dat is jammer. Maar wat echt niet klopt is, dat je zomaar door een ander zijn schuld van de baan kan worden gereden, in elkaar gereden zelfs, zonder dat er enige straf volgt. Dat gebeurt heel vaak bij de start, wanneer zo’n 25 auto’s zich door een flessenhals proberen te wurmen, om vooraan te komen. Vaak sneuvelen er daar al twee rijders, door de fout van collega’s. Vreemd. Nog los van de enorme financiële schade, en lijfelijke risico’s. Dit jaar zag ik zoiets bij het Olympische baanwielrennen: Mister Cavendish moest en zou een medaille halen, en rausde rücksichtsloos twee collega’s van de baan af. Eentje moest naar het ziekenhuis. Glimlachend nam Mister Cavendish zijn zilveren medaille in ontvangst. De jury deed niks. Ik zou aangifte van mishandeling hebben gedaan. Kan in de Formule 1 ook. Daar is ook een jury die zelden wat doet bij eruit kegelen. Natuurlijk kan het ook anders: je moet gewoon in je baan blijven bij inhalen. In de bochten zijn er dan gewoon drie rijbanen met verf aangegeven, en daar blijf je met inhalen binnen. Raak je toch je collega naast je, dan word je direct gediskwalificeerd, én, er volgt een herstart. In de volgorde zoals die was. De rest van de rit wordt dan uitgereden. Bij de finish van een tourétappe moet het ook zo. De laatste 500 meter moet je een van de vier sprintbanen kiezen en erbinnen blijven. Laatst reed een renner zijn collega met 65 per uur bijna de reclamehekken in, levensgevaarlijk. “Zijn overwinning was wel een beetje dubieus, hij week wat van zijn lijn af”, zei de keurige Belgische commentator. Wat van zijn lijn af?? Het was een keurige poging tot doodslag. De kegelsport en het darten, dat zijn eerlijke, afgebakende sporten. Je knikkert niet iemands bal of pijltje eruit, en je blijft binnen de lijnen. En stap je bij de 200 meter atletiek op, let wel, op de lijn dan verlies je, zoals Randy Martina, gelijk je Olympische medaille. Dus weg met de Formule Crash 1.

Henk van Kuijk